domingo, diciembre 09, 2007

Carlos Barbarito. Zeven Winters. Copyright vertalingen © Stefan Beyst 2007

(Aan Alejandro Puga)


I

Op reis nog altijd? Vertrekken
naar wat niet kan gekend?
Aan boord van welke trein,
of boot, te voet? Is het mogelijk
nog, heeft het enige reden,
enige betekenis? Of blijft
alleen de gewoonte van levend te zijn,
te ademen, zich te herinneren
dat het ooit was en nu niet is?
Kan dat het leven zijn
en niet de dorst naar de zee
in volle woestijn, de droom
van een vrouw temidden van schaduwen,
van muziek in volle stilte?


II

Maar er is het vuur, dat zuivert. En
de duistere waarheid onder de modder.
Een onooglijke deugd na de schaamte.
Uren in de duisternis en één ogenblik
in het aanschijn van een licht dat verblindt.
Wat men kan weten en wat men niet kan weten.
De splinter, de paradox, het spoor.
De hand kneedt wat de mond niet zal eten.
De mond bijt wat hij zou moeten kussen.
Duistere vissers op verschroeide zandvlakten.
Duistere schipbreukelingen op binnenkoeren van cement
Wat doemt op uit de aarde.
Wat cirkelt rond de vermoeidheid.
Wat vergaat tot as.


III

Door de kier ontdekt het oog
wat de muren al wisten,
de wortels. En onnodig is het woord.
En loos is het spel van het kind in de modder.
Want uiteindelijk vindt niets in zichzelf
zijn voedsel, niets bereikt
wat het najaagt, niets verandert van gedaante.
Nog de lucht heeft gewicht.
Nog ballerina's sterven in het vuur.
Nog de vis eindigt in het net of in de theologie.


IV

Hoe zal ik haar noemen? Zus,
masker, wolvensnuit,
bron of dak, spiegeling, laurier,
demon? Ik voel
dat om het even welk woord zou volstaan,
maar dat geen enkel haar kan bereiken
daar waar ze wordt geboren en bestaat.
Ze vlucht, ze verdwaalt in de nevel.
Ze is achter mij, in de spiegel.
Ze leeft op onbepaalde hoogte, onmeetbaar.
Ze heeft geen gewicht, maakt de weegschaal overbodig.


V

Bevriezen zullen onze geheugens
als de aarde die we betreden droog is
Bevriezen zullen voor onze ogen de golven,
de Melkweg, het boek, de bliksem.
Hoe het vermijden? Hoe
vermijden dat ons overkomt
wat ons zal overkomen?
Waarom op elk strand,
als het donker wordt, het kreng van een vis,
en tussen de melkwegen, een duistere Melkweg
die geen klank en geen licht meer uitstraalt?
Waarom kunnen niet eeuwig zijn
het bewegen van de zwemmer tussen de golven,
de geur van de rozen in de tuin,
onze beelden weerspiegeld in plassen en spiegels?


VI

Hij dompelt zijn hand in de schaduw
en denkt, voor één ogenblik slechts, dat het water is.
Hij droomt niet.
Hij droomt van een marionet in de regen.
Hij sterft en ontwaakt in dezelfde kamer,
onder hetzelfde laken.
Buiten, bijen tussen de bloemen,
verre kreten van honden,
die hij ziet noch hoort.
In de ochtend, als altijd,
zal er een roepen zijn dat hij niet zal horen,
en, van de andere kant, opnieuw,
wellicht voor de laatste keer,
een zuivere mond, een hemelse en zuivere muziek:
waarom gaan we niet naar de zee,
waarom leggen we in de zee onze kleren niet af.


VII

Dit is het huis. Niet alleen geloof is het,
noch droom, noch wil, noch verlangen.
Het is zware en harde materie:
de ene steen op de andere,
dagen en nachten, en dat voor jaren.
Een schaduw in een vod
volstaat niet als minnares of zuster:
zal het verlangde worden geboren uit het diepste van de aarde,
na verloop van deze uren,
als het onweer nog aanwakkert?
zal dan het geëigende tijdperk komen,
het ogenblik om honger en dorst te hebben
en te vinden met gesloten ogen?

http://www.dse.nl/~krott/

1 Comments:

Anonymous Anónimo said...

Un abrazo muy fuerte al gran Carlos Barbarito, que siempre nos asombrará con su POESÍA y su universo mágico. Y otro abrazo a Miguel Ángel Huerta, un gigante de la pintura latinoamericana. Dos amigos a quienes extraño. Desde Valencia, España,

Aldo Alcota

12:29 p. m.  

Publicar un comentario

<< Home